 |
 |
Handelsoorlog rond hongersnood(01-02-2003)
Over de hoofden van hongerige Zambianen vechten twee grootmachten een handelsoorlog uit. De Verenigde Staten willen onder het mom van voedselhulp de Zambianen aan het infuus van de genetische modificatie leggen. Een bedelaar kan geen eisen stellen aan geschonken voedsel, toch? De Europese Unie gunt een hongerige Afrikaan ten minste nog het recht op zelfbeschikking. Want op die manier kan Zambia in ieder geval met goed fatsoen landbouwgewassen blijven exporteren. Naar de EU, wel te verstaan.
Er zit een luchtje aan de zaak. De motieven van beide partijen hebben niets te maken met het belang van de Zambianen. Laten we beginnen bij de Grote Boze Wolf van het internationale strijdtoneel: de Verenigde Staten. De oneerbare motieven laten zich makkelijk blootleggen. Zeventig procent van de Amerikaanse maisproductie is niet genetisch gemodificeerd. Desondanks heeft de VS per se genetisch gemodificeerde mais als voedselhulp in de aanbieding voor een volk dat de voorkeur geeft aan de ‘pure’ variant. Deze strategie is op zich niet verbazingwekkend want de VS geeft hulp altijd uit eigen belang (zoals hulpgeld uitsluitend aan bepaalde Amerikaanse producten besteed mag worden). De VS vaart er wel bij als een groeiend deel van de wereld genetisch gemodificeerde producten accepteert, want het land is de grootste producent van genetisch gemodificeerde gewassen. Washington subsidieert de boeren die het spul verbouwen, maar vindt vervolgens slechts een schrale afzetmarkt. De EU probeert GM-gewassen buiten de deur te houden met een redelijk strenge labellingswet en veel Afrikaanse landen blieven de gewassen zelfs niet als ze bedreigd worden door een enorme hongersnood. Door Afrika toch gentech voor te schotelen, hoopt de VS bij de EU eveneens een voet tussen de deur te krijgen. Als hele continenten het spul immers kunnen verteren, waarom de EU dan niet? Vooralsnog is de strijd niet gestreden. Als het niet de biotechnologie is die de Afrikaanse landen gaat redden van de ondergang, wat dan wel? Volgens de EU (en zij is niet de enige) ligt het antwoord in handel. De Zambianen moeten hun lokale gewassen zo ver mogelijk houden van besmetting met GM-rassen, zodat zij tenminste nog kunnen exporteren naar de EU. De ongemodificeerde plantjes kunnen dan in de EU verwerkt worden en eventueel met winst teruggestuurd worden naar Afrika. Dat wil zeggen: de winst blijft in de EU waar de voedselverwerkende industrie zich bevindt. Bovendien kan de EU dan haar eigen gesubsidieerde maar ongemodificeerde voedsel blijven dumpen in Zambia. Daarmee wint ze een slag in de strijd met de VS om afzetmarkten voor landbouwproducten. De boeren in Zambia mogen van een genereuze EU dus aansluiten op het globale economische systeem, waarin enkel de boer die een monocultuur onderhoudt kan overleven. McDonalds heeft nou eenmaal alleen een berg aardappelen nodig, die niet nog eens gesorteerd hoeft te worden op verdwaalde wortels of uien. Maar monoculturen, die de aarde uitputten, noch export naar de EU is een oplossing die de Zambiaanse boer voortaan voor een hongersnood zal behoeden. De Zambiaan heeft investeringen nodig voor een voedselverwerkende industrie en een fatsoenlijke infrastructuur, zodat hij zelf in zijn eigen behoeften kan voorzien. Op die manier kan de Zambiaanse economie weer opkrabbelen. Als de EU wil helpen, mag ze haar eigen expertise en middelen naar het Zuiden verhuizen. Verder moeten alle schulden kwijtgescholden worden. Wat een schrijnende situatie waar een land aan de ene kant technologische restafval geserveerd krijgt en aan de andere kant dertig procent meer aan schuldaflossing besteedt dan aan gezondheidszorg. De hoop op werkelijke zelfbeschikking van Afrikaanse landen, die de EU plots zo hoog in het vaandel draagt, krijgt met een dergelijke schuldenlast geen kans. De EU moet zich hierover stellig uitspreken. Als dergelijke maatregelen niet genomen worden, blijft voedselhulp naar zuidelijk Afrika sturen dweilen met de kraan open. Voor de ergste honger op dit moment kunnen de grootmachten beter een deel van hun geld overmaken naar omringende landen als Zuid-Afrika, Uganda of Tanzania waar zich een overschot aan gewoon, ongemodificeerd voedsel bevindt. Als het voedsel uit de regio betrokken wordt, kan de regio groeien. Globalisering en vrijhandel zijn in principe mooie idealen; zij kunnen echter alleen werken als landen of regio’s sterk genoeg zijn om andere spelers het hoofd te bieden. Export is lang niet altijd het antwoord. Export van voedsel of zogenaamde ‘cash crops’ (zoals bloemen), die kostbare vruchtbare grond innemen, uit landen waar hongersnood heerst, kan niet de oplossing zijn voor honger. Als dergelijke praktijken in het huidige economisch systeem als positief gelden, dan is het systeem ziek. Afrikaanse landen kunnen elkaar de hand reiken en opkrabbelen, als westerse landen hen dat toestaan. Terwijl Afrika voor onze ogen doodhongert, ligt er voor de EU een kans om het weer op de been te helpen: niet door haar eigen handelsagenda na te streven, maar door te handelen in het werkelijke belang van een verward continent.
NULL
NULL
|